Over Bach en dit concert
Jan Kleinbussink: "Wat maakt J.S. Bach zo uniek? Voor mij is dat de combinatie van ambacht bij het schrijven van melodieën, harmonieën en complexe meerstemmige werken, naast de diepe menselijke verwevenheid in vreugde en verdriet, in extroverte dans en innerlijke verstilling, in retrospectie en uitbundigheid. Bach’s muziek komt binnen en laat je niet meer los, deelt het scala aan menselijke gevoelens, versterkt je als mens in twijfels, angst en onzekerheid en tilt je op in je menszijn.
Dit alles vinden we ook terug in zijn werken voor klavecimbel. Luister naar de ambities, de zelfverzekerdheid en de virtuositeit van een jong componist in zijn beroemde orgel-toccata in d-moll en in de zes Toccata’s voor klavecimbel, ontstaan in Weimar rond 1708. Alle ingrediënten van de Noordduitse Toccatavorm met voorbeelden van Reincken, Buxtehude en Bruhns weet hij te verwerken en op hoger niveau te tillen, met demonstratie van inventiviteit, ambacht en virtuositeit. Bach stelt zich voor als aankomend groot musicus.
Ongeveer in dezelfde tijd schreef Bach twee collecties met gestileerde dansen voor klavecimbel: de Engelse Suites en de Franse Suites, naar voorbeeld van de Franse componist François Dieupart. De hierboven genoemde menselijke affecten treffen we zo prachtig terug in het unieke karakter van iedere dansvorm afzonderlijk: ingetogenheid (allemande), vreugde (courante), innerlijke vrede (sarabande), blijdschap (gavotte) en uitbundigheid (bourrée en gique). De structuur van de dansen is zodanig gekozen dat de muziek voor de luisteraar gemakkelijk toegankelijk is, van gematigd polyfoon (allemande, gique) tot melodie/basso continuotype (sarabande, gavotte).
Ook het ongeëvenaard ambacht van de complexe, polyfone verweving van stemmen komt in dit concert aan de orde in twee Preludes en Fuga’s uit de tweede bundel Wohltemperierte Clavier, de ‘state of art’ van ambachtelijk vermogen, de top van alle instrumentale polyfone muziek. Op onnavolgbare wijze weet Bach kleine, kernachtige melodieën te verweven tot een imposant bouwwerk van vervlechting, met uitwijkingen naar de limieten van tonale mogelijkheden in de eerste helft van de 18de eeuw. Adembenemend, haast te veel voor eenmalig beluisteren.
Tenslotte iets over de uitvoering op klavecimbel. Bach’s muziek voor toetsinstrumenten laat zich naar volle tevredenheid uitvoeren op orgel, piano, klavichord en klavecimbel, al zijn de uitkomsten artistiek totaal verschillend. Bij uitvoering op piano ontstaat de toon door de aanslag met een vilten hamerkop tegen de snaar, bij uitvoering op orgel ontstaan de toon door het aanblazen van een houten of metalen orgelpijp, bij uitvoering op klavecimbel door het aantokkelen van de snaar met een plectrum (in Bachs tijd gesneden uit een vogelveer). Het klankresultaat is zo totaal verschillend dat de composities naar mijn mening niet uitwisselbaar zijn. Bach heeft de (forte)piano in zijn leven gekend, maar er geen noot voor geschreven. Zijn orgelwerken kenmerken zich door een specifiek, echt aan orgel gebonden idioom. En dat geldt ook voor zijn klavecimbelwerken. Willen we echt ervaren hoe zijn klavecimbelmuziek specifiek met dit instrument verbonden is, moeten we samen om het instrument gaan zitten en luisteren hoe uniek het geschenk is, dat Bach ons heeft nagelaten."